Brandon (l) en Richard poseren trots voor hun Peugot J7 bus, bijgenaamd 'de kliko'.
Brandon (l) en Richard poseren trots voor hun Peugot J7 bus, bijgenaamd 'de kliko'. Foto: Pepijn Dros

Dit artikel is geschreven door
Pepijn Dros

Pepijn Dros is redacteur van onder meer Texel dit Weekend en de Vakantiekrant.

De Peugeot J7 van Richard

Divers

In de rubriek ‘Blikvanger’ gaan we langs bij Texelaars met een passie voor oldtimers. De één is gek van Britse klassiekers, een ander heeft een voorliefde voor Amerikanen en weer een ander zweert bij Italiaanse bolides. Waar komt de liefde vandaan en wat maakt die auto nu precies tot hun heilige koe? Deze keer gaan we langs bij Richard Witte. Zijn Peugeot J7 is hem lief, maar zijn hart klopt nóg sneller voor zijn collectie brommers.

Waar rijden we nu in weg?

“Een Peugeot J7, ik vermoed dat hij afkomstig is uit 1968. Ik heb deze bus -of ‘kliko’ zoals ik ‘m ook wel gekscherend noem- ooit gekregen van André Keijzer. Voor hem deed ik altijd het onderhoud, totdat ik op een dag zei: er zit zó veel werk aan, ik blijf bezig. Drie weken later belde André op: ‘Wil je dat ding hebben of niet? Anders gaat ‘ie naar de sloop.’ Toen ben ik ‘m toch gaan halen, want ik hecht me nogal snel aan machines waaraan ik gesleuteld heb.”

Gebruik je ‘m veel?

“Ik gebruik ‘m elke dag. Door de jaren heen heb ik er écht alles in vervoerd: bouwmaterialen, schelpen, je kan het je zo gek niet bedenken. Wel moet er elk jaar weer het nodige aan gebeuren. Als ik iets moet lassen gebruik ik altijd een rvs-plaatje, zodat dát tenminste niet meer kan roesten. Toen ik ‘m kreeg kon ik er eigenlijk niet mee staan. Ik heb namelijk ook nog een Fiat X1/9 staan waar ik al dertig jaar mee bezig ben. Dan denk je bij zo’n oude bus: daar gáán we weer. Maar mijn vrouw Benita zei: doe ‘m nou maar, het is best een leuk ding. Dus toen heb ik er een maand lang elke avond aan gewerkt. Daarna kwam hij door de APK en gingen we er direct mee op vakantie.”

Altijd een sleutelaar geweest?

“Dat zit er van jongs af aan in. Als ik iets in handen krijg, probeer ik het altijd te maken en dat lukt meestal ook heel aardig. Je moet een beetje kunnen improviseren hè. Toch heeft de bus mij zelden in de steek gelaten. Eén keer op de Afsluitdijk -Benita, mijn schoonmoeder en ik kwamen terug van Oerol- kwamen we terecht in storm en regen. Mijn schoonmoeder moest via de schuifdeur telkens het raam schoonvegen omdat de ruitenwissers het amper deden. Toen we werden ingehaald door vrachtwagens die gebaarden dat we gek waren, dacht ik: dit moet anders. Sindsdien ligt er een Volvo 480-injectiemotor in.”

Waar begon de brommergekte?

“Ik was een jaar of acht toen ik de oude Berini van mijn oom zag staan. Het stuur was afgebroken, dus ik mocht ‘m hebben. Ik direct aan de slag met die brommer, stuur erop gelast en klaar dacht ik. Mijn vader was echter minder enthousiast. Die voer nog op de kotter en dacht bij zichzelf: straks rijdt Richard zichzelf nog dood. Dus hij gooide stiekem de tank vol olie. Telkens startte de Berini dan even, maar daarna sloeg ‘ie snel ‘vet’. Ik vroeg aan iedereen om me te helpen om die brommer aan de praat te krijgen. Zonder succes. Je collega Ed Witte was toen mijn buurjongen en die heeft zich er ook suf op getrapt. We snapten niet waarom dat ding steeds verzoop. Pas toen ik achttien was vertelde mijn vader wat hij had gedaan. Achteraf wel slim, want als jonge jongen zie je geen gevaar.”

En die fascinatie is gebleven?

“Zeker. Toen ik zestien was bouwde ik mijn droom-Kreidler: blauw met geel. Daarna ben ik overgestapt op auto’s zoals dat gaat. Maar jaren later, ik was een jaar of dertig, kwam ik een vriend tegen die weer een brommer had gekocht en toen begon het opnieuw te kriebelen. Ik heb weer precies zo’n Kreidler gebouwd als vroeger en daarna is het een beetje uit de hand gelopen…”

Hoeveel brommers heb je?

“Eerlijk gezegd ben ik de tel een beetje kwijt, maar ik denk een kleine vijftig. Op de zolder van mijn schuur staat van alles: sommige heb ik volledig gerestaureerd, anderen liggen nog half uit elkaar te wachten tot ik tijd heb om ze onder handen te nemen. Via een verhoogde autobrug kunnen de brommers naar beneden worden gereden. Kijk dáár staat een Fantic Chopper, daar een Puch met een enorm ‘Ape-hanger’ stuur er op, zelfgebouwd uiteraard. En daarachter een Zündapp, maar die is niet van mij hoor! Als je van Kreidler houdt, ben je niet van Zündapp. Op elke brommer maak ik iets geks, noem het mijn handtekening. Een uitlaat in de vorm van een cobra bijvoorbeeld. Of die rare krul in de uitlaat van de J7. Dat vind ik mooi. Tussen de brommers staan ook een kart, een vitrine zelfgebouwde modelauto’s en zelfs een simulator voor mijn zoon Brandon die net zo gek is van brommers als ik. Het is net een museum, alleen een Boeing 747 ontbreekt nog.”

Welke is het mooist?

“De Fantic Chopper vind ik een plaatje en die daar is de oude Mobylette van Benita’s vader. Oók een mooi verhaal: haar vader had die ooit ingeruild bij Ran voor een Spartamet en die was bij Marco Kortenhoeven terecht gekomen. Later werkte ik met Marco bij de TESO en zei hij: ‘Ik heb thuis iets leuks staan.’ Bleek het die Mobylette te zijn. En het leuke is, die Mobylette is de enige die áltijd start. Bij brommerritten gaat ‘ie daarom standaard mee als reserve. Ook mooi is deze Redstar motorfiets uit 1903. Het blok kreeg ik van Roel van Assen, maar niemand wist wat het precies voor blok was. Op een oldtimerbeurs kwam ik erachter dat ‘ie van een Redstar kwam. Ik heb tekeningen opgescharreld en ben hem helemaal opnieuw aan het opbouwen.”

Wanneer stop je ermee?

“Stoppen? Ik heb nog ideeën voor twintig jaar! Bijna iedere avond ben ik tot laat aan het sleutelen. Op dinsdagavond verandert de schuur in een sleutelclub waar vrienden langskomen om samen aan brommers te sleutelen. Ik help anderen graag. Vaak is het vriendendienst, dan maak ik een brommer of een uitlaat en krijg ik later weer iets terug. Zo is die hele verzameling eigenlijk ontstaan.”