
De stranding en berging van de ‘Alesia’ in 1923 (deel 2)
Laatste butegaaskon Dros, met Doeksen en Wijsmuller, op
basis van ‘no cure no pay’ aan het werk.
Bij een stranding van een geladen schip
was de berging eenvoudig: door lading te
lossen werd het schip lichter.
Maar de ‘Alesia’ was leeg, had onbruikbare
machines en lag veel te hoog op het strand.
De sleepboten ‘Dolfijn’ en ‘Cycloop’ beves-
tigden aan het achterschip kabels van 600
meter lengte, die in zee werden verankerd.
Met zware katrollen slaagde men er zo in
het schip twee meter naar zee te brengen.
Onderwijl werd het onmogelijke gereali-
seerd: men slaagde erin na weken ploeteren
de bakboordmotor weer op gang te krijgen.
Hierdoor konden de pompen en schroeven
weer draaien. Met de schroeven kon men
een diep gat in het zand malen.
Met de pompen werd water van de ene naar
de andere tank verplaatst, zodat een beter
evenwicht in het schip werd verkregen.
De bergers waren namelijk zeer bevreesd
dat de Alesia doormidden zou breken.
Rondom het gat op het strand legde men
een ‘dok’ aan van zandzakken, om het zand
binnen die damwand weg te zuigen.
Tijdens stormweer werden de ruimen vol
water gepompt om te voorkomen dat het
schip weer hoger op het strand zou komen.
Begin juni was het schip 50 m. zeewaarts
getrokken en kon het grote werk beginnen.
Op 4 juni was de grote dag: vijf sleepboten
gingen proberen de ‘Alesia’ vlot te trekken.
Half Texel wachtte op het strand in span-
ning af, maar tot twee maal toe brak de tros
van de Cycloop en de poging mislukte.
Pas op 6 juni, zonder publiek, lukte het: het
schip dat nooit meer van het strand af zou
komen, was na 7 maanden vlotgetrokken.